Als het over onderwijs voor onze kinderen gaat willen wij dan als ouders te veel? Ik heb jaren lang gestreden om mijn kinderen binnen de muren van een school te houden. Ik heb mij er altijd over verbaasd dat dit zo ging, maar ik geloof niet dat ik te veeleisend was.

Pagina 2

donderdag 26 juni 2014

Goede bedoelingen 1 en 2

Gisteren was ik aanwezig bij de presentatie van het boek “Iedereen aan Boord. Samen werken aan passend onderwijs voor kinderen voor wie dat niet vanzelf spreekt” geschreven door twee heren van de Stichting Gedragswerk, Jos van der Horst en Bart van Kessel. Het boek heb ik nog niet gelezen dus over de inhoud zal ik voor nu zwijgen, maar ik wil  wel wat kwijt over de presentatie.

Zoals altijd waren de sprekers geïnspireerd door de goede wil van mensen. De schrijvers van het boek legden beeldend uit wat in hun optiek mis gaat gedurende het proces dat als eindresultaat een thuiszittend kind heeft. De ervaringen waar ze uit putten en waar dit boek op gebaseerd is, beginnen altijd op het moment dat er al een conflict is en de partijen; ouders, school en soms zelfs advocaten; als kemphanen tegenover elkaar staan. De kernvraag: hoe krijg je het kind weer op school, is de legitimatie van de bemoeienissen van  Gedragswerk. En dat is precies de reden waarom  ik denk dat ook dit boek, hoe goed bedoeld ook, het kind niet zal redden.

Het proces dat leidt tot de ruzie beschrijft niemand. Waar twee vechten hebben twee schuld nietwaar? “De ouders zeggen dit en de school zegt dat!” Tijdens de presentatie werd een beeldend rollenspel ten tonele gevoerd waarin een agressieve vader een bevende IB-er afbekt. Dat proces wil Gedragswerk onder andere in goede banen leiden door de IB-er professioneel handelen bij te brengen. Maar zolang het ontstaan van het conflict niet interessant gevonden wordt zal Gedragswerk maar weinig bereiken.

Er zijn een paar redenen aan te voeren waarom passend onderwijs ondanks de inspanningen van Gedragswerk niet zal slagen.

Ten eerste ontbreekt het juist aan goede wil. Scholen willen geen kinderen waar wat mee is . Die kinderen vormen een bedreiging voor de eindresultaten en zolang dat een gegeven is, is elk project gedoemd te mislukken. Kinderen zouden namelijk te allen tijde welkom moeten zijn op scholen.

Ten tweede meent de overheid dat kinderen reparabel zijn. En dit belachelijke idee hebben ze de scholen en de erom heen hangende semi-professionals opgelegd.  Zo beweerde een van de schrijvers, die ik overigens niet onder de semi-professionals wil scharen, dat als een kind in groep 3 niet leert lezen er sprake is van een taal-spraak stoornis en dat je dan gewoon cluster 2 moet inschakelen want dan komt alles goed. Cluster 2 is een typisch voorbeeld van een semi-professional. Lees de website van de overheid er maar op na: er is geen aanvullende opleiding nodig om bij cluster 2 te mogen werken. Afgezien van de volstrekte ondeskundigheid van cluster 2, is er geen sprake van een ontwikkelingsstoornis als het zo eenvoudig zou zijn.
Dat laatste bepaalt het functioneren van Gedragswerk en straks dat van Passend Onderwijs: Een kind mag wel een probleem hebben maar daar willen we niet te lang last van hebben. En dat staat haaks op het probleem van een kind met een ontwikkelingsstoornis. Dat heeft daar namelijk minstens zo’n zesentwintig jaar last van.

Uiteraard was er een kers op de taart. Ik ben altijd zo blij als de overheid bij dit soort gelegenheden haar mond open doet want dan krijg je het grote falen in een paar zinnen on a silver platter.

Goede bedoelingen 2

Het Grote Falen

De hoge ambtenaar die het eerste exemplaar van het boek aangeboden kreeg legde uit waarom de vorige wet was mislukt: Het doel van de vorige wet was precies dezelfde als die van de nieuwe Wet Passend Onderwijs namelijk: het terugdringen van het aantal kinderen dat naar het Speciaal Onderwijs wordt verwezen en het terugdringen van het aantal kinderen dat thuis komt te zitten. Het terugdringen van het aantal Speciaal Onderwijs kinderen mislukte omdat de scholen binnen de kortste keren precies door hadden hoe je een Speciaal Onderwijsindicatie aanvraagt waarmee ze de felbegeerde Rugzak binnen hengelden met als gevolg dat het aantal Speciaal Onderwijs kinderen explosief steeg. Tegelijkertijd bleef het aantal thuiszittende kinderen gelijk. Aldus de hoge ambtenaar.

Hierin zit de oorzaak van het enorme falen besloten. De overheid handhaaft haar eigen wetten niet en de motieven van de scholen zijn verre van zuiver.

Het mag een ieder dan ook verbazen dat de nieuwe wet weer blindelings uitgaat van goede wil, maar, zo sprak de bevlogen ambtenaar: we hebben wel iets veranderd: “De scholen hebben nu een zorgplicht.” De scholen moeten de kinderen nu een plek geven.

Ten eerste hadden de scholen in de vorige wet die Zorgplicht ook en dat hielp geen bliksem want de ouders moesten het zelf afdwingen. Ten tweede heeft de overheid blijkbaar geen idee hoe scholen van lastige kinderen af weten te komen. De overheid kent de formules niet. Een school zegt niet:
“Wij willen uw kind niet.”
Een school zegt:
“U kunt uw kind beter niet aanmelden want we zijn bang dat hij heel ongelukkig wordt hier.”
Mag ik vragen wat we aan een Zorgplicht hebben als ouders dan maar besluiten ergens anders te gaan ‘proberen’?

Een school zegt niet:
“Uw kind moet van school. We schrijven hem hier uit.”
Een school zegt:
“U kunt uw kind beter van school halen want we kunnen echt niets meer voor hem doen. Het is heus beter. Hij wordt hier zo ongelukkig.”
Wat hebben we aan een Zorgplicht als de ouders dan besluiten om ‘vrijwillig’ het kind van school te halen?

En dan begint het conflict. En dan zegt de school: “Dat hebben wij nooit gezegd. Dat heeft u verkeerd begrepen.” Vervolgens gaan de ouders schreeuwen en zegt de onderwijsconsulent of sparringpartner of jeugdzorg, dat er een complex probleem ligt.

In de nieuwe wet is de Rugzak verdwenen. De steekpenningen uit de Rugzak die voor sommige kinderen een soort van redding betekenden zitten nu in een grote pot bij het Samenwerkingsverband. Kinderen met leerproblemen zijn er nog steeds maar we mogen niet meer zeggen waar dit door wordt veroorzaakt. De etiketten moeten er af. En van de scholen die zonder dat ze ooit verantwoording hoefden af te leggen voor het enorme falen in hun opdracht, wordt wederom enkel goede wil gevraagd.

De hoge ambtenaar besloot met de verlossende woorden: “We gaan er van uit dat het probleem van thuiszittende kinderen nooit zal worden opgelost. Thuiszittende kinderen zullen er altijd zijn.”
En hij waste zijn handen in onschuld..

Arme kinderen

Arme, arme kinderen.

donderdag 19 juni 2014

Congres Steunpunt Autisme Noordelijk Zuid-Holland

Inmiddels is het schooltje verhuisd en zit Cato in een veel mooiere ruimte waar ze naast schilderen ook kan koken en bakken. Helemaal prachtig. Hoewel menig lezer zal begrijpen dat de hele troep niet hokuspokuspas verhuisd was en dat de nieuwe route naar school voor Cato een hindernis van formaat vormde, is dit alles al weer lang vergeten. Ik wilde er wel over vertellen maar die noodzaak is naar de achtergrond verdrongen door het congres van het Steunpunt Autisme dat ik kort geleden bijwoonde.

Bouwen we scholen voor de kinderen of baren we kinderen voor de scholen? Ik weet het niet meer, eerlijk gezegd.
Het congres had als titel: "Thuis met autisme, wie zit er mee?" en ging over het thuiszittersprobleem. Veel van de thuiszitters blijken een autismespectrumstoornis te hebben namelijk. Wie verrast dat niet?

De inspanningen van het Steunpunt zijn prijzenswaardig en de sprekers van het congres waren, een enkele uitzondering daargelaten, bevlogen. De mensen in de zaal kwamen vrijwel allemaal uit het veld zoals dat heet. Een enkele moeder zoals ik, met een kind dat niemand wil, had zich tussen de professionals gewaagd.
Tijdens dit soort bijeenkomsten raak ik altijd enigszins in de war. De tegenstrijdigheden zijn zo enorm dat ik ze bijna over het hoofd zie.
De sprekers hadden zich ten doel gesteld de zaal uit te leggen hoe je kinderen met autisme binnen de muren van een school kunt houden. Dit is een prachtig streven alleen zit de zaal bij dit soort lezingen altijd vol met mensen die allang weten hoe je dat doet. De schoolbesturen die kinderen met een stoornis buiten de deur houden bezoeken dergelijke congressen niet. Hoe meer ervoor nodig is om een autistisch kind onderwijs te gunnen, hoe groter de weerstand van een school met ambitie.

De voorzitter van de vereniging van leerplichtambtenaren Ingrado, gaf blijk van enorme betrokkenheid maar ze deed een hele merkwaardige uitspraak. Ze zei: "Over één ding zijn we het allemaal wel eens: de scholen dwingen om kinderen op te nemen heeft geen zin." Deze zin raakte mij tussen de ogen. Ik had een kwartier nodig om ervan bij te komen. Tijdens de pauze sprak ik een leerplichtambtenaar die mij een verhaal vertelde over een jongetje dat op geen enkele school in zijn directe omgeving welkom was. Dankzij de tussenkomst van leerplicht was er een school twintig (of dertig, ik weet het niet meer) kilometer verderop gevonden. En nu kon het kind toch naar school. De leerplichtambtenaar vond dit een goede oplossing. Dat dit kind dagelijks een enorme afstand moet reizen en dat de kinderen uit zijn straat allemaal gezellig bij elkaar op de school in de buurt zitten en hij alleen ergens anders, is blijkbaar van geen gewicht. Maar ik verbaas mij nog het meest over de vanzelfsprekendheid waarmee geaccepteerd wordt dat scholen een kind wegsturen. Als die school twintig kilometer verderop het wel kan waarom kan die school in de buurt het dan niet? Waarom hoeft een school zich nooit te verantwoorden?

Zolang scholen niet gedwongen worden, zolang scholen zich niet hoeven te verantwoorden, zolang scholen van besturen zijn die zichzelf als prioriteit stellen in plaats van de kinderen, zolang de Minister de mensenrechten niet respecteert en verantwoordelijkheid neemt, wordt dit probleem nooit opgelost. Dan staat het Steunpunt, leerplicht en consultant hierenmedaar enkel voor eigen parochie te preken en zitten de kinderen intussen thuis.

De grootste tegenstrijdigheid van de dag zat hem in het feit dat kinderen helemaal geen etiketten meer mogen hebben van de minister. De NVA wordt dan de vereniging van de anoniemen. Kinderen falen straks gewoon zonder gewichtige reden en de scholen mogen falende kinderen wegsturen want de minister wil 100 procent geslaagden. Over een jaar zit er geen enkele autist meer op school.

vrijdag 23 mei 2014

Bijzaken

29 april; Het schooltje moet verhuizen. Het lokaal begint net een beetje van Cato te worden, met al haar mooie producten, maar helaas; we moeten er alweer uit. Het antikraak contract is opgezegd want het gebouw gaat weer gebruikt worden waarvoor het bedoeld is: Er komt een school in die nu de leerlingen in noodgebouwtjes moet proppen.
Op zoek dus naar een nieuw passend onderkomen. Niet te groot, niet te klein, niet te duur, niet te ver weg, enzovoorts.
Ik zit er behoorlijk van te balen. Ik had net sinds een paar weken internet gefabriceerd in het lokaal. Althans dat had een knap vriendje voor mij gedaan. Het was een heel gezoek en gevogel geweest. Diverse bedrijfjes in het pand hadden in de meterkast wonderlijke constructies gemaakt met knipperende kastjes en kruislings lopende snoeren. Terwijl Dick met meetapparatuur de trap op een neer draafde tot het zweet op zijn voorhoofd parelde, lapten mijn vriendin en ik samen de ramen. Dat was beter voor de goede vrede want mijn bemoeizucht en domme vragen dreven de specialist tot wanhoop.

De provider had mij uitgelegd dat verhuizen geen probleem zou zijn, mits er in het nieuwe onderkomen een beschikbare lijn is.  Dick ziet het gelukkig als een uitdaging. Als ik mijn mond maar hou gedurende het proces.

Ik maak mij om nog wat anders zorgen. In januari is het PGB toegekend, maar Cato heeft nog steeds niets gekregen. Ik bel of mail bijna wekelijks met de afdeling kwaliteit. Dat is de afdeling waar je terecht komt als je het met een beslissing niet eens bent. Eigenlijk was mijn bezwaar al weggenomen, zoals ik beschreven heb op 13 februari in “Een tik van de molen”, maar er zit één groot voordeel aan de afdeling kwaliteit. Deze afdeling heeft een telefoonnummer waarop daadwerkelijk binnen een acceptabel aantal minuten wordt gereageerd. Het reguliere nummer waar je als eenvoudige burger zonder klacht met een gewone vraag toe veroordeeld bent, is hopeloos overbelast. Wachttijden van meer dan tien minuten zijn geen uitzondering. Bijna altijd gooi ik dan de hoorn erop. Eén keer was ik het zo beu, dat ik besloot te wachten tot er werd opgenomen. Na twintig minuten klonk een stem door de telefoon die zei, nadat  we onze namen hadden uitgewisseld: “Nou ik dacht, ik zal maar antwoorden want u zit al twintig minuten te wachten.”
De telefoon van de afdeling kwaliteit staat blijkbaar niet roodgloeiend, hetgeen om meerdere redenen goed nieuws is en sinds ik daar een naam heb van iemand die de inhoud van mijn dochters dossier kent, bel ik alleen nog maar met die afdeling. Helaas helpt het niet. Er is mij al zes keer verzekerd dat het dossier compleet is en het is de welwillende medewerker ook  helaas onduidelijk waarom het proces van uitbetalen telkens blijft steken. Om razend van te worden.
De rekeningen van Cato’s begeleiders stapelen zich op. Visioenen van falende Zorgkantoor medewerkers die ineens beweren dat Cato eigenlijk bij nader inzien toch geen recht heeft op een PGB verstoren mijn nachtrust.

Vandaag verzuchtte ik tegen één van Cato’s begeleiders; “Af en toe lijkt het alsof de school bijzaak is geworden en de bijzaken hoofdzaken.”  Gelukkig hebben de begeleiders van Cato hier geen last van. Ik moet nog wel even zorgen voor een naadloze overgang naar een nieuw lokaal.


Wordt vervolgd.

maandag 19 mei 2014

Navigatie

Lesvoorbereiding en uitvoering. Ik had vroeger op de zeevaartschool een vak dat heette: reisvoorbereiding en uitvoering. Tegenwoordig schijnt dat vak weer anders te heten, maar het bestaat uiteraard nog steeds. Of je nou op pad gaat met een schip op zee of met een kind in het onderwijs, je moet je voorbereiden op de reis, op de obstakels die er gaan komen en op de wijze waarop je het doel gaat bereiken. Wat wordt de koers, zogezegd.

Cato gaat nu vier dagen in de week naar school. Er staan inmiddels de nodige producten in wording op de vensterbank. Op de ramen zijn mooie tekeningen geplakt die ze bij het striptekenen heeft gemaakt. Op de ezel staat een schilderproject, Olaf is bijna voltooid in gips en in stevige kartonnen tekenmappen zijn de biologielessen geknoopt.

Ze vindt het heerlijk op school, maar het is nog steeds erg moeilijk om haar iets te leren.

Ik heb er eindeloos over getobd. Hoe pak je dit aan? Toen we met de school begonnen heb ik voorgesteld om filmpjes te maken waarin de leraar vertelt wat de komende les gaat gebeuren. Die kan Cato dan thuis ’s ochtends bekijken voordat ze naar school gaat. Tot mijn verbazing schrok iedereen van het voorstel. Ik vond het verrassend om te zien hoeveel weerstand dit idee opriep. Niemand wilde zichzelf op film zien en “wat moet ik dan zeggen?” Alleen José heeft het aangedurfd. Ze was er vreselijk onzeker over, maar de dag voordat haar eerste les zou zijn kreeg ik keurig een klein filmpje opgestuurd via We Transfer.
Cato bekeek het filmpje aandachtig. José legde uit dat ze zou gaan beeldhouwen in speksteen. Ze hield een stuk van het materiaal omhoog. “Kijk Cato, dit is de steen en dit is een zaag, die hebben we nodig en schuurpapier. En dan moet je eerst een hartje maken. Dat is de eerste opdracht.” José liet het hartje zien dat ze vast als voorbeeld gemaakt had.

Cato fietste naar school en ze kreeg haar eerste les in beeldhouwen op speksteen. Ik kan het nu achteraf niet meer bewijzen maar uit ervaring weet ik dat als Cato zonder deze voorbereiding naar school was gegaan, de les heel anders was verlopen. Ongeveer zo:
“Goedemorgen Cato.”
“Ja, hallo hoor”, zou Cato op monotone toon antwoorden.
“Cato we gaan vandaag beeldhouwen.”
“Neeneenee, ik ga schilderen.”
“Cato, dit is leuk en ....”
“Neeneenee, ik ga schilderen.”
“Maar Cato, dit is school en ik…”
“Hou op. Ik ga weg hoor.”
“Nou kom op Cato, ik laat het zien.”
“Doe het maar lekker zelf.”

Dit had zich dan de hele les zo voortgesleept. Cato met de armen over elkaar, José die haar probeert uit te dagen. Uiteindelijk was Cato vermoedelijk met slaande deuren op de wc gaan zitten. Het is allemaal heel begrijpelijk. Je kunt haar in taal niet uitleggen wat er gaat gebeuren. Gesproken taal is voor haar het vermoeiendste wat er is. De inspanning die ze moet leveren om te begrijpen wat je zegt put haar geduld vrijwel onmiddellijk uit. Er hoeft maar een beetje stress bij te komen, zoals een les die ze nog nooit gehad heeft en je mag “Ophoepelen!” van Cato.
Dan gaat ze liever schilderen. Daarbij hoeft niemand haar wat uit te leggen. Dat is wel zo veilig.

Dankzij het filmpje werd ze niet verrast. Ze wist wat er ging gebeuren. En ze schikte zich. Straks mag ze haar lievelingsfiguur maken, Olaf uit Frozen. Dankzij een tweede instructiefilmpje van  José van ongeveer een half minuutje, maakt ze Olaf nu eerst netjes in gips.


We hebben vast nog een lange reis voor de boeg, maar misschien hebben we ons navigatiemiddel nu gevonden.

donderdag 8 mei 2014

Bokito 2

Mijn Asperger vriendje heeft het weer moeilijk. Op zijn paasrapport staat dat hij zal doubleren als het rapport zo blijft. Dat is vreemd want hij had een prachtig rapport. Er staat alleen een onvoldoende op voor handenarbeid want er was een conflict met de leraar over werk wat hij niet had ingeleverd. Verder had de knappe vechter geen onvoldoendes. Hij had zelfs een paar mooie cijfers. Zevens prijken ertussen, maar toch staat er op dit officiële document dat hij met dit resultaat zal blijven zitten.

Hier moet ik even bij stil staan. Wat vind ik hier nou van? Zijn moeder zegt: “Tja dat zullen de regels wel zijn.”
Ik zoek ze op die regels. Een leerling moet om te kunnen worden bevorderd voor alle niet kern-vakken, minimaal een 5,5 hebben. Dit is interessant. Stel een leraar van een niet-kernvak heeft erge moeite met het gedrag van een kind; zomaar een kind en dit kind is toevallig ook niet zo goed in zijn vak. Wat zal er dan gebeuren? Als die leraar een heilige is dan zal hij zich over zijn antipathie heen kunnen zetten. Dan zal hij wellicht elke inspanning van het jonge mens beoordelen naar vermogen en hem toch een zes geven voor de moeite. Niets aan de hand.

Ik ben niet zo veel heiligen tegen gekomen op de scholen van mijn kinderen. Een paar maar. Het lot van zo’n leerling wordt dan wel erg willekeurig. De meeste kinderen met autisme bewegen bijvoorbeeld slecht en zijn bovendien ook niet erg sociaal. Dat laatste is inherent aan autisme namelijk. Zo’n kind zit met het zwaard van Damocles boven zijn hoofd in de gymles.

Mijn asperger vriendje heeft een rugzak. Hij heeft een één voor handenarbeid. Een één duidt aan dat het werk niet is ingeleverd. Hij mag het nu ook niet meer inleveren van de leraar. Vandaar dat hij met dit rapport blijft zitten. Ik vind het heel vreemd dit conflict. Waar is die begeleiding? Waarom laten de mentor, de zorgcoördinator en de ambulant begeleider dit gebeuren? Denken ze dat dit opvoedkundig is? Denken ze dat dit mannetje dat voor alles moet vechten, hier iets van leert? Denken ze dat dit asperger kind sociaal vaardig genoeg is om dit op te lossen?

Op deze school zwaait Bokito de scepter en Bokito wil graag van deze leerling af. Dat heeft hij  de ouders al eens duidelijk gemaakt. De handenarbeid leraar krijgt zijn salaris van de school, niet van de leerling. Ik ruik vaag de onsmakelijke geur van corruptie. 

Maar hier komen dan toch maar weer mijn vragen voor Bokito:
-Gaat u nog iets doen met die € 3000,- leerlinggebonden financiering die u voor mijn asperger vriendje heeft gekregen?
-En wat gaat u dan doen?
-Is er al een Handelingsplan?
-Waarom is er een conflict tussen deze Rugzakleerling en de handenarbeidleraar?
-Waar is de begeleiding?
-Denkt u dat mijn aspergervriendje met deze gang van zaken vertrouwen krijgt in zijn leraren?
-Denkt u dat het in de geest van de wet is om een kind met een IQ van ongeveer 150 te laten doubleren op handenarbeid?
-Mijn aspergervriendje heeft inmiddels eindelijk vriendjes in de klas; denkt u dat het goed is voor de ontwikkeling van deze jongen als hij naar een andere school moet?


Wie is er straks, bij de invoering van Passend onderwijs, de baas? Bokito of de wet? En wie gaat die wet dan handhaven? Ik ben bang dat de ouders weer voor dat karretje worden gespannen. En dan zal deze wet ook voor mijn asperger-vriendje niet veel betekenis hebben.

(Zie ook: Bokito, 06-02-2014)

zondag 6 april 2014

Zelfstandigheid is een groot goed


Leren is voor Cato een schizofrene ervaring. Ze wil graag alles kunnen maar ze wil niet dat mensen haar dingen leren. Ze wil zelf de regie houden en bovendien; als iemand haar iets wil leren, denkt diegene dan dat ze dom is?
Mensen mogen haar niet zien zoals ze is. Ze wil zichzelf niet zien zoals ze is. Als een leraar haar iets gaat leren weet hij iets van haar. Hij weet dat er een hiaat in haar kennis zit dat hij wil opvullen. En dat ervaart Cato als bedreigend. Toch is ze heel blij als ze weer iets nieuws beheerst. Het is een voorturende strijd tussen de behoefte aan autonomie en de nieuwsgierigheid.

Een voorbeeld: Ik wilde dat Cato met de fiets zelfstandig naar haar nieuwe schooltje zou gaan. Een jaar geleden toen ze nog gewoon op school zat ging ze overal zelfstandig naar toe. Het afgelopen jaar is deze vaardigheid volledig verdwenen. Heel jammer natuurlijk. Ik weet echter uit ervaring dat ze het kan leren dus begon ik er weer met frisse tegenzin aan. Dat klinkt niet gezellig maar dat is het ook niet. Als Cato iets niet wil heb je een zware kluif.

Om te beginnen fietsten we samen naar school. Daar had ze helemaal geen zin in. Ze moest dan achter mij aan fietsen want ze wist de weg niet. Dus ging ze liever met de auto. Dagelijks stonden we kibbelend naast de fietsen. Twee meter bij de fietsen vandaan stond de auto geparkeerd. “Met de auto!” stond ze naar me te roepen. "Nee," riep ik terug, "we gaan met de fiets!"

Overigens, Cato wil nog steeds in New York gaan wonen en daar fietst niemand. Daar gaat iedereen met de taxi. “Ik hoef de weg niet te weten. Dat weet de taxichauffeur.” Dom is ze niet en daar ben ik dan vreemd genoeg blij mee.

Zodra Cato op de fiets zat ging ze dromen. Ze volgde mijn achterwiel en dacht aan haar favoriete filmpjes. Ze lette niet op de route. Ze moest achter mij aan fietsen. Daar baalde ze van, maar met haar dromerijen kon ze zich daarvan afsluiten. Af en toe riep ik naar haar: “Kijk Cato, bij dit punt moeten we linksaf.”
“Weet ik!” schreeuwde ze dan boos naar mij.

Na een paar weken werd het tijd om haar voorop te laten gaan. Minutenlang stonden we op straat te ruziën. Cato maakte dan een gebiedend gebaar met haar hand wat zoveel betekende als: Na u. Ik zei: “Nee, jij gaat voorop.” Uiteindelijk scheurde ze er boos vandoor. Bij elke kruising aarzelde ze en werd ze woedend omdat ik het moest voorzeggen.

Onvermijdelijk kwam het moment dat ze de weg wist. En nu is ze zo blij. Ze springt op de fiets. Ze vraagt nooit meer om de auto. Ze kan naar school fietsen zonder mij, helemaal alleen. En dat gevoel van vrijheid en zelfstandigheid maakt haar zichtbaar gelukkig.

Dat is wat we met onderwijs proberen te bereiken. Levensgeluk door autonomie. Het is de strijd meer dan waard.

woensdag 12 maart 2014

Recht op onderwijs

Cato is weer vrolijk. Ze loopt voortdurend te giechelen. Gisteren heeft ze zelfs de hele dag kleren gedragen in plaats van de eeuwige pyjama waar ze het afgelopen jaar in rondspookte. Ze kwam stralend thuis uit ‘school’.
“Hoe was het vandaag?” vroeg ik.
“Heel leuk”, riep ze, niet op haar gebruikelijke monotone toon als een verplichting, maar blij.
“Wat heb je gedaan vandaag?” vroeg ik, “Kun je dat vertellen?”
“Gestudeerd en geschilderd.”
Dat was een interessante mededeling. Ze was de dag begonnen met de logopediste. Dat was blijkbaar studeren voor haar. Dat is ook een juiste beleving want wat de logopediste aanbiedt vindt ze moeilijk. Cato kan dingen zeggen zolang die door haar eigen gedachten worden aangestuurd. Als ze over iets wil vertellen wat geweest is wordt het moeilijk. Ze komt nooit op een zin als: “Toen wij vorige week in Amsterdam waren hebben wij die jurk gezien. En die wil ik hebben.” Ze zou niet weten waar te beginnen om mij dit duidelijk te maken. Hoe graag ze die jurk ook wil hebben. Tijd en plaats oriëntatie, praten en begrippen in woorden gieten. Als je dat allemaal niet beheerst kun je de meeste gedachten die in je opkomen niet met iemand delen. Dit veroorzaakt behalve frustratie, machteloosheid en vereenzaming en dus ook verdriet. Daarom moeten we haar leren om haar gedachten te delen met anderen. Voor haar levensgeluk en zelfstandigheid.

Na de logopedie mocht ze schilderen aan een werk van eigen keuze. Piet vertelde dat ze zich daarbij laat instrueren. Hij had een witte gladde pop voor haar meegenomen. Een driedimensionaal object om haar te leren diepte te tekenen. De pop sluit aan bij Cato’s belangstelling voor romantische strips van manga-achtige figuren met grote glanzende ogen.

Quinten haalde haar om twee uur uit school. Hij vertelde dat ze enorm veel plezier hadden, Piet en Cato. Samen fietsten ze naar huis. Ik denk nog een of twee weekjes en dan gaat ze zelfstandig.


Wonderlijk genoeg zal iedere zorgende, beleid makende, onderwijsgevende, overheidsdienende, rechtbewakende, gezaghebbende door ons betaalde bemoeineus die met jonge opgroeiende mensen te maken heeft je kunnen vertellen hoe belangrijk het is dat jonge mensen niet uitvallen op school en lusteloos thuis komen te zitten. Er zijn ontelbare instanties die betaald door het ministerie van OCW zich daar mee bezig houden. Vreemd genoeg heeft niemand de afgelopen tien maanden naar het welzijn van Cato geïnformeerd. En trouwens, er zitten ondanks al die wijsneuzen een paar duizend kinderen thuis. Als we nou eens al die instanties opheffen, zou dat niet een enorme bezuiniging opleveren? En dan steken we dat geld in deskundig speciaal onderwijs en handhaving. Dan kan een kind als Cato gewoon naar school.