Als het over onderwijs voor onze kinderen gaat willen wij dan als ouders te veel? Ik heb jaren lang gestreden om mijn kinderen binnen de muren van een school te houden. Ik heb mij er altijd over verbaasd dat dit zo ging, maar ik geloof niet dat ik te veeleisend was.

zondag 6 april 2014

Zelfstandigheid is een groot goed


Leren is voor Cato een schizofrene ervaring. Ze wil graag alles kunnen maar ze wil niet dat mensen haar dingen leren. Ze wil zelf de regie houden en bovendien; als iemand haar iets wil leren, denkt diegene dan dat ze dom is?
Mensen mogen haar niet zien zoals ze is. Ze wil zichzelf niet zien zoals ze is. Als een leraar haar iets gaat leren weet hij iets van haar. Hij weet dat er een hiaat in haar kennis zit dat hij wil opvullen. En dat ervaart Cato als bedreigend. Toch is ze heel blij als ze weer iets nieuws beheerst. Het is een voorturende strijd tussen de behoefte aan autonomie en de nieuwsgierigheid.

Een voorbeeld: Ik wilde dat Cato met de fiets zelfstandig naar haar nieuwe schooltje zou gaan. Een jaar geleden toen ze nog gewoon op school zat ging ze overal zelfstandig naar toe. Het afgelopen jaar is deze vaardigheid volledig verdwenen. Heel jammer natuurlijk. Ik weet echter uit ervaring dat ze het kan leren dus begon ik er weer met frisse tegenzin aan. Dat klinkt niet gezellig maar dat is het ook niet. Als Cato iets niet wil heb je een zware kluif.

Om te beginnen fietsten we samen naar school. Daar had ze helemaal geen zin in. Ze moest dan achter mij aan fietsen want ze wist de weg niet. Dus ging ze liever met de auto. Dagelijks stonden we kibbelend naast de fietsen. Twee meter bij de fietsen vandaan stond de auto geparkeerd. “Met de auto!” stond ze naar me te roepen. "Nee," riep ik terug, "we gaan met de fiets!"

Overigens, Cato wil nog steeds in New York gaan wonen en daar fietst niemand. Daar gaat iedereen met de taxi. “Ik hoef de weg niet te weten. Dat weet de taxichauffeur.” Dom is ze niet en daar ben ik dan vreemd genoeg blij mee.

Zodra Cato op de fiets zat ging ze dromen. Ze volgde mijn achterwiel en dacht aan haar favoriete filmpjes. Ze lette niet op de route. Ze moest achter mij aan fietsen. Daar baalde ze van, maar met haar dromerijen kon ze zich daarvan afsluiten. Af en toe riep ik naar haar: “Kijk Cato, bij dit punt moeten we linksaf.”
“Weet ik!” schreeuwde ze dan boos naar mij.

Na een paar weken werd het tijd om haar voorop te laten gaan. Minutenlang stonden we op straat te ruziën. Cato maakte dan een gebiedend gebaar met haar hand wat zoveel betekende als: Na u. Ik zei: “Nee, jij gaat voorop.” Uiteindelijk scheurde ze er boos vandoor. Bij elke kruising aarzelde ze en werd ze woedend omdat ik het moest voorzeggen.

Onvermijdelijk kwam het moment dat ze de weg wist. En nu is ze zo blij. Ze springt op de fiets. Ze vraagt nooit meer om de auto. Ze kan naar school fietsen zonder mij, helemaal alleen. En dat gevoel van vrijheid en zelfstandigheid maakt haar zichtbaar gelukkig.

Dat is wat we met onderwijs proberen te bereiken. Levensgeluk door autonomie. Het is de strijd meer dan waard.